| |
In alledaagse termen heeft men
het over 'woordblind' of 'lees-blind'. Dyslexie is echter niet onder één
noemer te vangen. Er bestaan veel omschrijvingen van wat het begrip inhoudt
en er worden (zelfs) verschillende typen dyslexie onderscheiden. Voor de
school- en de klinische praktijk blijken de volgende kernpunten van belang:
- Bij dyslexie is sprake
van ernstige lees- en spellingsproblemen, waarbij de automatisering
van woordidentificatie (lezen) en/of schriftbeeldvorming (spellen) zich
onvolledig of zeer moeizaam ontwikkelt.
- De lees- en spellingsachterstand
is hardnekkig. Ondanks extra hulp vanuit school vertoont het kind geen
of slechts geringe vooruitgang.
- De huidige opvatting is
dat het optreden van dyslexie onafhankelijk is van intelligentie: zowel
zwak-, normaal- alsook hoogbegaafde kinderen kunnen dyslectisch zijn.
Dyslexie behoeft specialistische
diagnostiek en individuele behandeling door een (neuro)psycholoog of
orthopedagoog, gespeciali-seerd in leer- en leesstoornissen.
- Dyslexie kan zich in de
diverse fasen van het lees-leer-proces openbaren. Bij sommige kinderen
kan dyslexie reeds geconstateerd worden na een half jaar leesonderwijs
in groep 3. Men spreekt dan van initiële dyslexie.
- Soms kan reeds op kleuterleeftijd
geconstateerd worden dat kinderen later dyslexie zullen ontwikkelen.
Kinderen die risico lopen op dyslexie zouden al vroegtijdig speciale
hulp moeten krijgen.
- Hoe eerder dyslexie bij
kinderen (h)erkend wordt, des te groter blijken de effecten van behandeling
en des te minder kans op 'secundaire' problemen (gedragsmatige en/of
emotionele problematiek ten gevolge van de ernstige lees- en spellingsproblemen).
- Er zijn echter ook kinderen
die met (redelijk) goed gevolg de basisschool doorlopen, maar waarbij
dyslexie zich pas manifesteert bij het vervolgonderwijs of in latere
fasen, bij het volgen van cursussen of een studie. Ook dan kan specialistische
dyslexiehulp en studiebegeleiding nodig zijn.
|
 |